Al sinds 1997 is het op de eerste dinsdag van september Duurzame Dinsdag. Op deze dag worden initiatieven uit de samenleving zichtbaar gemaakt en gehuldigd en hun signalen besproken met de politiek. Het is het belangrijkste moment van een jaarrond programma dat het voor duurzaam initiatiefnemers makkelijker wil maken om impact te maken. Op Duurzame Dinsdag, 6 september, sprak Eva Rovers de ‘Duurzame Troonrede 2022’ uit in Nieuwspoort te Den Haag.
Bondgenoten,
Hoe duurzaam is de democratie? Brengen democratieën onze leefomgeving niet al decennia lang ernstig schade toe? Democratisch verkozen regeringen subsidiëren grote vervuilers met miljarden en weigeren klimaatdoelen na te komen die ze zelf afgesproken hebben. Om over de tergende traagheid van democratieën nog maar te zwijgen. Al ruim vijftig jaar weten democratische leiders dat de planeet gevaarlijk opwarmt als gevolg van de broeikasgassen die wij de atmosfeer injagen. In 1965 waarschuwde president Lyndon B. Johnson het Amerikaanse congres daar al voor. De Club van Rome deed dat nog eens in 1972 en het IPCC luidt sinds 1988 steeds harder de noodklok.
Inmiddels zijn we een halve eeuw verder en is het opeenvolgende regeringen niet gelukt het tij te keren en haar inwoners te beschermen tegen de gevaren van planetaire verhitting. Integendeel. Die opeenvolgende regeringen hebben die verhitting in de hand gewerkt door te sturen op economische groei in plaats van ecologisch evenwicht. Als gevolg stijgen temperatuur en zeespiegel harder dan ooit, sterven er in Nederland meer mensen aan luchtvervuiling dan aan verkeersongevallen en vragen we ons niet meer af of de zon zal schijnen op onze vakantiebestemming, maar hoe groot de kans is dat de camping weggevaagd zal worden door een bosbrand of overstroming. En dat zijn nog luxeproblemen vergeleken bij de hongersnoden en water wars die zich voltrekken in landen rond de evenaar. Landen die zelf het minst hebben bijgedragen aan de ontwrichting van het klimaat, maar daar wel de hoogste prijs voor betalen.
‘Een democratie is fantastisch, maar voor een jaar zou een dictatuur geen gek idee zijn. Zodat er even wat beslissingen kunnen worden genomen,’ aldus hoogleraar Marcel Levi onlangs in HP/De Tijd. De voorzitter van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek is niet de enige. Met ieder IPCC-rapport dat verschijnt, groeit het koor van stemmen dat de democratie in twijfel trekt. Als we snel ingrijpende maatregelen moeten nemen om de wereld leefbaar te houden, zoals het laatste het IPCC onverbloemd stelde, kunnen we ons de luxe van democratische besluitvorming dan wel permitteren? Al die inspraakavonden, bezwaarprocedures, protesterende buurtbewoners, kritische Kamerleden, wobbende journalisten en strenge rechters die zo nodig beleid aan grondrechten moeten toetsen: dat schiet toch allemaal niet op? Kijk naar wat er in China gebeurt, zingt datzelfde koor, daar vallen de zonnepanelen zo ongeveer als manna uit de hemel. Daar wordt in geen tijd het hele openbaar vervoer geëlektrificeerd. Het kán snel gaan zo’n energietransitie, als je er maar ‘een sterke man’ op zet. Innig geflirt met despoten en autocraten is kortom niet het monopolie van extreemrechtse kringen.
Hebben ze gelijk? Kunnen we de democratie maar beter opschorten als dat de toekomst van de planeet ten goede komt? Hebben we inderdaad een verlicht despoot nodig die de noodzakelijke maateregelen erdoor duwt om de 21e eeuw veilig door te komen?
Nee. De oplossing ligt niet bij minder democratie, maar juist bij meer democratie. Veel meer. Want degenen die duurzame dwingelanden als China en Singapore bewonderen, kijken met een zeer selectieve blik. Ja, er wordt veel duurzame energie geproduceerd in China, maar het land is ook nog steeds de allergrootste uitstoter van broeikasgassen. Bovendien, als je verschillende bestuursvormen langs de duurzame meetlat legt, zoals Fredric Hanusch deed voor zijn boek Democracy and Climate Change, dan blijken autocratieën juist slechter te scoren op duurzaamheid. Zijn conclusie: hoe meer democratie, hoe meer klimaatbeleid.
We hebben dus niet zo zeer minder democratie nodig, maar we hebben wel een andere democratie nodig. Anders dan de kortzichtige variant die de afgelopen 150 jaar dominant was, waarbij politieke en economische belangen op de korte termijn het winnen van gemeenschappelijke belangen op de lange termijn. Zie bijvoorbeeld de – schrik niet – ‘intergenerationale solidariteitsindex’, die Roman Krznaric aanhaalt in zijn boek De goede voorouder. Die index geeft aan hoezeer landen beleid maken dat rekening houdt met toekomstige generaties. Een schijnbaar duurzaam land als Noorwegen blijkt dan een ‘internationale CO2-drugsdealer te zijn’; voor zichzelf produceert het schone, duurzame energie, maar ondertussen verkoopt het gigantische hoeveelheden gas en olie aan het buitenland. Dat is dweilen met de kraan open.
Wat wij, en alle levende wezens met ons, nodig hebben is een duurzame democratie. Daarmee bedoel ik niet alleen een democratie die de natuurlijke systemen beschermt waarvan wij afhankelijk zijn, maar die ook duurzaam is in de tijd. Een toekomstbestendige democratie, die evenzeer de beschermvrouwe is van huidige generaties, als van toekomstige.
Hoe ziet zo’n toekomstbestendige democratie eruit? Dat vraagt om wat verbeeldingskracht, want de vorm waarbij inwoners eens in de paar jaar stemmen op beroepspolitici is zo dominant dat we vergeten lijken te zijn dat democratie ook heel andere vormen kan aannemen. Zeker in Nederland is die verbeeldingskracht minimaal, waardoor de discussie zich beperkt tot wel of geen (correctief) referendum, terwijl er talloze andere vormen zijn om de democratie te vernieuwen en te verduurzamen. Sommige ideeën liggen voor het oprapen. De staatscommissie parlementair stelsel, voorgezeten door Johan Remkes, publiceerde in 2018 een rapport bomvol voorstellen om de democratie te versterken. En een paar maanden geleden nog presenteerde de werkgroep-Van der Staaij een reeks adviezen om de parlementaire democratie verbeteren, waarvan een aantal zeker ook de toekomst zouden dienen. Denk aan het kindervragenuur of het studentenparlement. Maar een van de conclusies van Van der Staaij: veel van deze instrumenten bestaan al lang, ze worden alleen nauwelijks gebruikt.
In een land waarin de politiek slechts de waarde van kunst en cultuur ziet als die ‘economische meerwaarde’ genereren, is het misschien ook niet zo gek dat we lijden aan een chronisch gebrek aan democratische verbeeldingskracht. Zonde, want er is zoveel meer mogelijk dan alleen stemmen, petities tekenen en een vragenuurtje. Wat te denken bijvoorbeeld van het Japanse Future Design, waarbij besluiten over bijvoorbeeld de aanleg van een nieuwe weg, genomen worden in overleg met de toekomst. Hoe dan? Door mensen aan te wijzen die namens toekomstige generaties spreken; zij zijn aanwezig bij het overleg en de besluitvorming, waarbij ze toekomstige belangen verwoorden en beschermen. Weten deze mensen dan precies hoe het leven van die generaties eruit ziet? Nee, maar iedereen blijkt in staat om zich voor te stellen wat basisvoorwaarden voor een goed leven zijn, of zich dat nu afspeelt of over honderd jaar. Of wat te denken van een internationaal ministerie van de Toekomst, zoals beschreven door Kim Stanley Robinson in zijn gelijknamige roman?
Ook in de landen om ons heen wordt al geëxperimenteerd met vormen van toekomstbestendige democratie. Zo wisten burgers in Frankrijk, Denemarken, Schotland, Ierland, Oostenrijk, Spanje en Luxemburg binnen enkele maande een toereikende klimaataanpak te ontwikkelen. Dat deden ze in de vorm van burgerberaden, een groep van 150 mensen die samen een dwarsdoorsnede van de samenleving vormen en vanuit die meerstemmigheid oplossingen bedenken voor de moeilijkste problemen van deze eeuw. Op sommige plekken zoals Duitstalig België en in Parijs hebben die burgerberaden zelfs al een permanente plek gekregen in de democratie.
Duurzame democratie betekent ook dat niet alleen de rechten en veiligheid van mensen beschermd worden, maar van al het leven. In meer dan 25 landen wereldwijd heeft de natuur dezelfde rechten als inwoners. Zo heeft de Ganges in India en een bos in Australië rechten gekregen, omdat mensen tot het inzicht zijn gekomen dat ze niet boven de natuur staan. Het gevolg is dat deze plekken niet langer straffeloos uitgebuit en vervuild kunnen worden.
Hoewel dit soort verbeeldingskracht bij Nederlandse regeringen ver te zoeken is, hebben veel inwoners die wel: zo richtte een groep burgers de Ambassade van de Noordzee op om te luisteren naar ‘de politieke stemmen van de dingen, planten, dieren, microben en mensen in en rond de Noordzee’, en sprak een inwoner van Zwolle onlangs in bij de gemeenteraad – niet om op te komen voor zijn eigen belang, maar die van de Ijssel. Andere inwoners richtten een Loket voor de Toekomst op en mensenrechtenjurist Jan van de Venis ijverde bij de overheid voor de instelling van een Ombudsman Toekomstige Generaties; toen die daar niets in bleek te zien, schiep hij die functie zelf maar.
Dat soort initiatieven laten zien dat we die broodnodige verbeeldingskracht wel degelijk bestaat – in de samenleving. Als we die aanboren, kunnen we de politiek helpen om voorbij ‘haalbaar en betaalbaar’ te kijken, om realistisch te zijn en dus naar het onmogelijke te streven. De afgelopen decennia hebben namelijk laten zien dat de politiek dat niet op eigen kracht kan. Als we een toekomstbestendige democratie willen bouwen, moeten politici, burgers en natuur als bondgenoten aan de slag gaan. Alleen bondgenoten kunnen op een gelijkwaardige manier samenwerken om het heden en de toekomst op een rechtvaardige, duurzame manier vorm te geven. Daar kunnen we vandaag mee beginnen. Het enige dat we moeten doen is de verbeeldingskracht in de samenleving gebruiken, en beseffen dat juist wat vandaag onmogelijk lijkt, het fundament vormt van een veerkrachtige, duurzame toekomst.
Delen